Contact
Aanmelden moestuin
Zoek in
naar
Interview met Nadia Vakili

Eerder verschenen in de Warmoezenier van september 2006


Nadia en Henk, haar partner, hebben de twee tuinen pal voor De Warmoes.
 

Kan je jezelf introduceren?

‘Ik heet Nadia Vakili. Ik heb een nogal drukke baan, maar sinds een jaar of twee heb ik wat meer vrije ruimte en kan ik hiernaast ook iets anders doen. Dus Henk en ik gingen op een dag fietsen, en we kwamen bij Warmond uit. Over de brug zagen we de tuinen, en het telefoonnummer op de deur hebben we genoteerd omdat we dachten dat dat iets leuk zou zijn om in onze vrije tijd te gaan doen. Dat idee hadden we al een tijdje. Ja, zo ging het.’

En hoe beviel het?

‘Ik moet zeggen dat ik er niet totaal onbekend mee was. Als kind hadden wij een hele grote tuin, maar we hadden toen een tuinman en die deed alles. Ik mocht nergens aankomen. Dat was van hem; dat was zijn werk. Maar ’s avonds, als hij er niet was, ging ik wandelen over de paden en kijken wat hij allemaal gedaan had. Ik vond het gewoon prachtig. Voor het huis hadden we een siertuin, maar erachter, waar het veel groter was, hadden we ruimte voor groenten. Mijn vader had niet zo’n groene hand, maar mijn moeder wel. Omdat het teveel was voor haar om het in haar eentje te doen namen we een tuinman, die het dus al gauw helemaal overnam: het was zijn ding en wij mochten er niet komen.

Toen al besefte ik hoe groot mijn interesse voor tuinieren was. Mijn belangstelling was zo groot dat ik op een gegeven moment van mijn vader voor mijn verjaardag een microscoop kreeg. Dat was zo enig: dag en nacht was ik bezig om de insecten, de slakken, en bladeren, en bloemen, alles onder de microscoop te bekijken. Doordat ik biologie had kon ik de dingen thuisbrengen. Ik vond het zo geweldig dat ik het jaar erna van mijn vader een klein laboratorium kreeg, met al die verschillende dingen waarmee je materiaal kon kleuren enzo. De cellen van de ui waren prachtig! Ik kon daar zo intensief en langdurig mee werken. Op een gegeven moment had ik in de tuin een zonnesteek opgelopen zonder het te merken. In het ziekenhuis vertelde me vader me later wat er gebeurd was.’

Dat was niet in Nederland, hè?

‘Nee, dat was in Iran, met een heel ander klimaat dan hier. Het is echt drie maanden heel erg heet in de zomer. Ik ben daar opgegroeid in het zuiden.

Door mijn interesse in de natuur ging ik experimenteren met vruchten van bomen die ik niet kende. Ik droogde ze bijvoorbeeld, en als er dan iemand verkouden was zei ik ‘die is goed voor je hoest’. Dan kookte ik het en dan hoorde ik van de dorpelingen dat ze het inderdaad gebruikten bij hoest, en dat het hielp.

Door de vrucht goed te bekijken vermoedde ik wat de werking zou zijn: het was een kleine gele vrucht, zo groot als een kers, met van binnen slijmerig sap. Dan zie je dat dat heel goed is om het slijm uit je keel weg te halen omdat het als het ware daaraan vastplakt.

Het was echt overal bekend hoe gek ik was met dat soort dingen. Maar een tijd erna veranderden de omstandigheden plotseling. Ik had geen kans meer om in de natuur te zijn, of biologie te gaan studeren wat ik aanvankelijk van plan was. Dat vond ik heel erg jammer, maar achteraf was het toch niet zo slecht want ik heb weer andere talenten in mezelf ontdekt.

Ik heb gestudeerd in Engeland, in het noorden, met veel kou en sneeuw, en van tuinieren was daar geen sprake. In mijn leven is het een hele periode heel erg hectisch geweest, en de eerste keer dat ik weer een kans kreeg om te gaan tuinieren was toen ik samen met Henk fietsend bij Koudenhoorn kwam.’

Heb je de groene vingers van je moeder geërfd?

‘Ja, dat heb ik. Mijn moeder is erg trots hierop. Soms spreken we elkaar telefonisch, en dan vertel ik haar wat ik allemaal heb, zoals courgettes en komkommers. Daar worden wij beiden ontzettend vrolijk van. Ze gaat zaden voor me opsturen.

Mijn dochter heeft ook al wat stekken meegenomen toen ze van de zomer mijn moeder bezocht, en ze was er heel blij mee. Met Henk had ik dit voorjaar een tuincentrum in Boskoop bezocht, waar ik allerlei muntsoorten tegenkwam waar ik nog nooit van gehoord had: Eau de Cologne-munt, sinaasappelmunt, zwarte munt. Ik heb ze gekocht en in de tuin gezet. Toen heb ik er stekken van genomen, en in een natte handdoek in een plastictas meegegeven naar Iran. Nu doen ze het daar ook! Mensen die mijn moeder bezoeken en die het ruiken willen graag een stekje.

Ook heb ik dingen meegegeven waarvan ik wist dat ze het daar niet hadden, zoals snijbonen. Mijn moeder wist van eerdere bezoeken wat dat zijn. Ik heb ook zaden van anijs meegegeven, die had ik ook in de tuin staan. Ja, dat soort dingen. Het is iets waarover wij heel langdurig met elkaar kunnen spreken, en het maakt ons gewoon vrolijk, weet je. Sinds we de tuin hebben, heeft mijn moeder ons nog niet bezocht, maar ze komt wel gauw.’

 

 

En het opeten van de groenten, is dat een probleem?

 

‘Ik moet zeggen dat ik niet veel verschil merk met groenten uit de winkel. Consumptie was ook niet de eerste reden om met tuinieren te beginnen. Heel veel dingen die we in de tuin hebben kunnen we niet eens opeten, we leggen het neer bij het huisje of geven het mee aan bezoek; sommige dingen blijven op de tuin en verrotten daar.

Uiteraard, wanneer je iets oogst waarvan je een maaltijd bereidt heb je een enorme voldoening. Ook met de gedachte dat er geen chemische stoffen gebruikt zijn, en dat je het zelf hebt gedaan, dat is een heel apart gevoel. Maar nogmaals: consumptie is niet de reden waarom wij tuinieren.

Voor Henk is het een hobby en voor mij is het een uitdaging. Dat is het verschil tussen ons. Henk komt mee omdat hij het leuk vindt en vrije tijd heeft om het te doen. Maar voor mij is het een echte uitdaging. Ik maak er tijd voor, ook al heb ik dat niet. Aan de ene kant ligt dat aan mijn karakter: als ik ergens een verantwoordelijkheid voor genomen heb dan moet ik dat goed doen.

Aan de andere kant is het een uitdaging van de natuur. Je wilt heel graag weten hoe het werkt. Al de kennis die je moet hebben om daar iets te produceren, dat vind ik juist zo geweldig. Je hebt kleigrond, je hebt zandgrond, elke grondsoort heeft zijn eigen behandeling nodig, dat moet je dan weten. In het begin weet je het niet, dus dan moet je het gaan vragen. Irene weet dat zij mij heel veel daarbij heeft geholpen. Want dan vraag je je af hoe je je gebrek aan kennis en informatie gaat aanpakken.

Irene verwees mij naar bepaalde internetsites, en dat was als een opening naar een nieuwe wereld voor mij: alles stond daar! Als iemand je daarop attent maakt lijkt het of je interesse tien keer groter wordt, omdat je een zee van informatie krijgt. Om dat allemaal te leren en toe te passen in je eigen tuin vind ik enig; dat is meer de reden waarom ik tuinier. Om het toe te passen, om te zien: doet ie het wel, doet ie het niet.’

Want jullie zitten er nu twee jaar toch? Zie je al veel verschil in je aanpak?

‘Inderdaad, dat klopt. Ja, ik heb allereerst geleerd dat het geen gevecht met de natuur is maar een harmonie. Je moet leren om ermee om te gaan. De natuur is er altijd; jij moet leren hoe je daarmee moet omgaan. De natuur gaat zich niet aan jou aanpassen maar dat moet juist andersom.

Voor mij lijkt het op omgaan met moeilijk hanteerbare kinderen: als je echt wat wilt bereiken dan moet je ook goed nadenken: hoe moet ik het doen, hoe bereik ik mijn resultaat?

De combinatie van dit soort dingen maakt het tuinieren voor mij echt ontzettend leuk. Ik merk na twee jaar dat het echt nog steeds een uitdaging is. Het is niet zo dat ik zeg: Oh, het kost zoveel tijd! of dat ik me druk maak over onkruid enzo. Soms breekt er een oorlog tussen het onkruid en mij uit, dan heb ik iets van: ik krijg je te pakken. Dan ga ik ze allemaal uitroeien. Soms is er weer vrede, dan mogen ze van mij. Het is gewoon geweldig.

Uiteraard wanneer dingen beginnen te groeien krijg je er meer voldoening van: dit is wat ik gedaan heb, en wat ik bereikt heb. Ik vind het geweldig als ik wat aan andere mensen kan geven.

Maar het is niet alleen belangrijk waar je tuiniert, maar ook met wat voor mensen je daar zit. Ik had me aangemeld bij een andere vereniging, maar het contact wat ik daar de eerste keer had stond me niet aan. Ik heb me toen afgemeld. Mensen hier op Koudenhoorn zijn echt heel anders.

Het tuinieren is voor mij puur met de natuur bezig zijn. Daarom denk ik dat ik nooit bij een volkstuinvereniging zou willen zijn, daar is een andere cultuur dan bij een moestuinvereniging. Ik denk dat ik het hier ontzettend goed heb getroffen, omdat eigenlijk iedereen zo aardig is. Geen nieuwsgierige types die overal achter je aanlopen om alles te weten te komen, dat ken je hier helemaal niet. Ik heb hier met Henk over gesproken, omdat het mij zo opviel hoe beschaafd mensen hier zijn. Ook Henk dacht dat het kwam omdat dit een moestuinvereniging is, en geen volkstuin.

Men heeft mij een hele tijd met rust gelaten, en beetje bij beetje zijn we elkaar begonnen te leren kennen. Tijdens de allereerste maanden dwong niemand mij om ook te komen koffie drinken, maar beetje bij beetje werd er koffie aangeboden en begon men een gesprek. Heel toevallig is dat voor mij de manier om te integreren, en zodoende heb ik kennis gemaakt met heel veel mensen.

Rob (Veffer) bijvoorbeeld had groenten voor mij: knoflookteentjes, een paar aardappelknollen, om mee te beginnen. Dat vond ik zo ontzettend aardig. Irene was er altijd. Ik weet nog heel goed dat ik in het begin geen onderscheid kon maken tussen onkruid en wat ik gezaaid had. Toen is ze een voor een de plantjes komen bekijken, en zei ze wat het was. En Jaap (Hoekzema)  komt heel vaak kijken wat ik doe in de tuin, en dan geeft hij de nodige adviezen. Af en toe ga ik bij hem langs, dan lopen we samen over zijn paden en langs zijn gewassen. Hij heeft mij laten zien hoe je een goeie stek van de aardbeien moet nemen, en wanneer je dat moet doen. De manier waarop hij dat doet, en de kennis die hij heeft, vind ik echt geweldig. Mensen die langs komen brengen een stukje van hun eigen tuin, zoals sla.

Dus alles is toevallig een stukje harmonie geworden, de mensen, het werk wat ik daar doe, het is heel harmonieus. Ik kan er ook ontzettend lange dagen door brengen, zo gezellig is het daar.’

Wat was je eerste succes?

‘Dat weet ik nog heel goed, dat waren de sperziebonen en de snijbonen, en uiteraard de courgettes. Het eerste jaar had ik geen idee hoeveel één struik daarvan kan produceren, maar het was gewoon enorm.’

En heb je nog tips voor de vereniging?

‘Nou, zover ben ik eigenlijk nog niet, ik leer nog heel veel. Maar ik sluit het niet uit dat ik op een gegeven moment meer betrokken wil zijn bij het bestuur. Alleen niet op korte termijn vanwege mijn drukke werk.

De jaarlijkse evenementen zijn geweldig. Ik ben voor het eerst bij de barbecue geweest, en daar heb ik erg van genoten. Hoe mensen onvoorwaardelijk openstaan om heel veel te doen voor de vereniging, dat vind ik uitstekend. Het is allemaal positief.

En weet je nou wat ik zo vreemd vind? Daarbuiten duurt het zolang voordat je een vriend kan maken, voordat je echt met iemand kan praten. Maar op de moestuin heb ik zoveel vrienden, dat is erg bijzonder.

Ik denk dat het komt omdat je niet gauw met een moestuin begint als je niet serieus daarmee bezig wilt zijn. Het is anders dan een volkstuin. Mensen die een moestuin huren willen wat meer, met de grond en met de natuur. Het is een bewustere keuze, denk ik. En ik denk dat dat de mensen ook bijzonder maakt.’

Heb je nu nog een microscoop?

‘Nee, jammer genoeg niet. Maar ik zie het wel komen. Want voor de toekomst ben ik van plan om verschillende rassen met elkaar te combineren, en nieuwe soorten te creëren. Dat vind ik ook geweldig. Dat zijn lange-termijn-dingen. Eerst moet je uiteraard heel veel weten: over de grond, over het soort planten. Dat de ene plant het hier doet wil niet zeggen dat hij het ook daar doet, in een ander land. Ik wil daar koolsoorten voor gaan gebruiken.

Ik wil nu ook in de winter in de tuin gaan werken. Daarmee bedoel ik dat ik heel graag wil weten hoe de natuur zich daar in de winter voelt.  Niet om te verbouwen, ik wil daar gaan zitten en kijken wat er gebeurt. Welke beesten er rondlopen, hoe de grond bevriest, ik wil het allemaal meemaken. Ik wil de grond niet maandenlang alleen laten.

Ik wil benadrukken dat een moestuin meer is dan een stukje grond om louter iets op te verbouwen, veel meer. En als je die interesse voor je tuin niet hebt dan houd je het niet lang vol. Het is wel hard werken maar je moet het zo zien: die planten en de grond leven ook; die hebben ook verzorging nodig.

Het verwaarlozen daarvan zou mij schuldgevoelens geven. Dus het is een serieuze zaak. Doe er niets mee als je het niet meent, want dan wordt het niets.’


31 augusus 2006 - Irene de Vet en Kiki van Beelen