Contact
Aanmelden moestuin
Zoek in
naar
Interview met Jaap Hoekzema

Verschenen in de Warmoezenier van juli 2004

De kandidaatskeuze was dit keer tamelijk vanzelfsprekend: de man achter de ‘tunnelkas’, Jaap Hoekzema. Irene en ik hebben op een winderige vrijdagmiddag een afspraak bij hem op de tuin, alwaar we ontvangen worden op ‘het troetelkind van dit jaar’, zijn vlasakker van een bij twee meter. Helaas ligt het vlas plat door de hevige regenval, de blauwe bloemen, Jaaps favoriete bloemenkleur, zijn wel te zien.

Zonder vragen begint Jaap te praten, en blijft boeiende informatie spuien, gegarneerd met praktijkvoorbeelden zolang we aanwezig zijn. ‘Iedereen die wil komen kijken is welkom op mijn tuin’ wordt ons aan het eind van het gesprek verzekerd. Beslist een aanrader, er valt veel te leren.

Jaap is een man van principes: hij is pertinent tegen de bio-industrie en al 25 jaar vegetariër. Hij spuit geen gif, gebruikt ecodingen en vervoert praktisch alles per fiets van en naar zijn tuin. Hij heeft sinds winter 1990 een moestuin op Koudenhoorn en tuinierde daarvoor in Zoeterwoude.De totale moestuin hier, 450 m², is het eerste jaar diep uitgespit om te onderzoeken welke grondsoort er lag.

‘Ik kwam hier aanzetten in een zandbak met drijfzand. Hier was de enige plek met drie tuinen op een rij, wat ik wilde. Ik ben de grond door gaan nemen om te zien wat eronder zat: zuiver massief veen op ongeveer anderhalve meter diepte. Mijn bedoeling was om de grond open te breken, en de lagen veen en zand met elkaar te vermengen. Ook kon ik gelijk ongewenste planten zoals riet en heermoes grondig vewijderen. Al gauw stond ik in een geweldig gat, een zwembad, dat met kruiwagens water tegelijk keer op keer leeggehoosd moest worden. Mijn kop kwam net boven de rand uit en Bert Vogelenzang riep me toe: “Ik haal je er niet uit, hoor!” Er werd me een motorpomp aangeboden, maar motorspul op dit soort percelen vind ik volslagen onzin, ik heb alles met de hand gedaan. Na een jaar of vijf ging het wat grond betreft naar mijn zin, en het knapt nog elk jaar op. De tuin is meestal precies vochtig genoeg, en er blijven geen plassen op staan met hevige regen. Ik heb geen compost nodig om de grond te verbeteren, die is goed. Als bemesting gebruik ik nu gewoon ordinaire koeienstront, soms koemestkorrels.’ Waarbij je uit moet kijken dat er niet allerlei zware metalen in de korrels zitten, zoals hem in het verleden een keer overkomen is met zogenaamde verrijkte korrels. De eerste planten die vanuit Zoeterwoude in een kar achter zijn fiets naar Warmond kwamen met natte zakken om de wortels waren bessenstruiken. Ze zijn inmiddels 25 jaar oud en staan er nog steeds.

Waarom is Jaap ooit begonnen met tuinieren?

‘Wij waren de gifpiepers zat. Ook smaakten de gekochte groenten naar niets meer. Ik dacht “een aardappel in de grond stoppen moet toch wel lukken.” Op mijn eerste tuin in Zoeterwoude deed ik mijn buurman, een oude rot, na. Bovendien hadden wij vroeger een klein huis maar een immense tuin. Ook heb ik wel tuinders in de familie, al is telen op grote schaal toch wel anders. Met wat lezen en het gezonde verstand gebruiken leek het van het begin af aan wel ergens op.’

Heeft Jaap plezier in het tuinieren?

‘Het is eigenlijk een combinatie van gevoelens. Mijn doel is om zoveel mogelijk uit de tuin te trekken op een verantwoorde manier. Daarnaast wil ik in zo weinig mogelijk tijd zoveel mogelijk doen, wat inhoudt dat ik voortdurend aan het innoveren ben. Het kasje is in vijftien jaar tijd nu af, het heeft vorige week windkracht 11 doorstaan. De tomaten gaan fantastisch, en zaailingen ook. Als iedereen met bonenstokken staat te klooien is die stok bij mij al lang passé: ik heb betongaas.’

Handig zijn ook de gaaskooitjes, een soort dozen van fijn vierkant gaas die precies om de plastic kistjes passen die worden gebruikt om bonen voor te zaaien, en zodoende de planten beschermen tegen vogels. Op de tuin kunnen ze weer worden gebruikt om jonge koolplanten af te dekken.

‘Ik zorg dat ik hier steeds makkelijker werk. Ik kom als een toerist naar mijn tuin om te kijken en groenten te plukken. Als het rotweer is geweest ben ik benieuwd naar wat er mis is gegaan, en wat ik eraan moet doen. Het plezier zit vooral in de innovatie. Een recent plan is het op rij planten van cosmea, waarop het afdeknet kan rusten, tussen de aardbeien.’

Wat hij teelt wordt, naast behaalde resultaten in het verleden (‘de frisbee-sla gedraagt zich zo goed, die mag blijven!’), mede bepaald door kosten-baten analyses. ‘Geen komkommers meer dit jaar. Je moet gewoon gaan rekenen: je platglas, éénruiters, tien m2 grond is zoveel huur. De komkommers moeten worden uitbesteed in de vakantie. Dan kom je terug en heb je twee kisten vol. Zuiver rationeel: teveel moeite, dit loont niet meer. Daar kan ik voor een weeshuis winterprei telen.

Ik doe praktisch niks aan ongedierte, en in het ergste geval heb ik dan maar geen tuinbonen. Als iedereen zit te zeuren over luizen dan haal ik ook soms de toppen uit de planten, maar het helpt eigenlijk niets. Brandnetelgier stinkt vreselijk, hierdoor komt mijn vrouw niet meer op mijn tuin behalve voor koffie drinken. Zeepsop? Geen resultaat. Mijn volgende innovatie wordt het tegenhouden van luizen. Maar waar komen ze vandaan? Waarom zijn ze er elk jaar? Ik weet het niet, dat wordt weer een aparte studie. Voorlopig spreid ik de risico's door op diverse plaatsen in mijn tuin tuinbonen te verbouwen, dan houd ik altijd wel wat over.

Een gedeelte van de opbrengst geef ik bij voorbaat op. Als je alles bij elkaar optelt heb je altijd meer dan genoeg. En het streven is de diepvries zo leeg mogelijk te houden. Voor plaagdieren geldt verder: zolang ik er geen last van heb kan het zijn gang gaan, maar ineens kan ik het zat zijn. Mijn winterwortels van vorig jaar zijn opgevreten door de woelratten. Dit jaar zat er weer een woelrat in. De woelrat is het schadelijkste geval van de hele tuin, een echte treiteraar. Fazanten heb ik nauwkeurig bestudeerd, die kan ik helemaal aan. Je moet zorgen dat ze niet kunnen landen, en overal hekken omheen zetten.’

Jaap heeft tot op tien centimeter nauwkeurig een plattegrond van zijn tuin, waarop hij jaarlijks bijhoudt wat hij waar verbouwt. ‘Ik reken in tegels. Er liggen hier op de tuin 2.000 tegels van 30 bij 30 centimeter, je kunt het geloven of niet.’ De meeste tegels vormen vaste paden langs de percelen, en soms wordt er een tijdelijk pad aangelegd. De plattegrond wordt ook gebruikt voor de planning van de teelt. ‘Tomaten en aardappel zijn familie, ze hebben dezelfde rotziekten. Dat wil ik aan de mensen meegeven: zet op de plattegrond van de aardappels ook de tomaten.’ Wat hem betreft mag de vereniging hier wel wat strikter mee omgaan.

Emotioneel wordt Jaap wanneer hij het heeft over de laksheid van andere tuinders met betrekking tot het gebruik van netten: ‘Je moet netten gebruiken waar vogels niet in verstrikt kunnen raken maar daar hangt ook weer een prijskaartje aan. Vodderige netten moeten volkomen strak worden getrokken, dan kan een vogel er niet inraken. De meeste mensen gaan niet goed met netten om. Daar kan ik me ongelooflijk kwaad om maken. Wanneer ik een verstrikte vogel zie ga ik rigoreus te werk: ik knip de vogel met net en al eruit, neem het mee naar de Warmoes en ga daar zitten peuteren met Vogelenzang, net zo lang tot de vogel los is.’

Vogels komen graag op zijn tuin, en zijn van harte welkom. ‘De koolmezen broeden in een broedkast model Fop I. Brouwer, voor de oudere tuinders bekend van het programma ‘Wat groeit en bloeit en telkens weer boeit.’ Er zitten houtduiven, er heeft een winterkoninkje in een kas gebroed, en er liggen bloempotten met een groot gat speciaal hiervoor onder de dennebomen. De vogels houden de slakken weg. Er staan veel bloemen op de tuin, half spontaan, half gezaaid. ‘De bijen die daarop vliegen moeten ook mijn pruimen bestuiven. Als ze niet in de weg staan mogen ze blijven, anders worden ze gedeporteerd wanneer dat mogelijk is. Wel moet je in de gaten houden dat de vaste planten niet teveel in de schaduw komen te staan.’ Een risico dat aanwezig is in ‘het veld pioenen’ dat spontaan bezaaid is met klaprozen en korenbloemen. Wanneer de bestuiving door insecten tekort dreigt te schieten helpt Jaap een handje mee door met een plumeau langs de bloeiende bomen te gaan.

Over het complex is hij tevreden: ‘Iedereen doet enorm zijn best. Ik heb tijden meegemaakt met dertig lege tuinen. Dat oogde niet meer: slordige wallekanten, een vreselijke composthoop. In korte tijd is er veel verbeterd, al zou wat mij betreft het bestuur een harder beleid mogen voeren bij tuinders die er structureel een zootje van maken. Wanneer je de slechten niet wegstuurt gaan de goeden uiteindelijk. Maar ik wil met niemand ruzie hebben, ze kunnen alles van me gedaan krijgen.

Soms wordt gezegd: die tuin is toch veel te groot? Maar iedereen eet mee: familie, schoonmoeder, Jan van de woonboot. En als je zes bloemkolen zet houd je er vier over. Tuinieren is geen hobby, ja, eigenlijk ook weer wel. Wat me echt interesseert is het denkwerk: wat kan beter, wat kan handiger. Zet je ogen open. Hier zit twintig jaar ervaring.’

We merken het. Dit artikel zou makkelijk een feuilleton kunnen worden, maar dan zouden we de andere tuinders mogelijk tekort doen. We vertrekken van Jaap’s tuin, na even nog langs het vlasveld te zijn gelopen. Het vlas is zich aan het oprichten, de blauwe bloempjes wiegelen in de wind. ‘Op Zeeuws Vlaanderen kan je hele velden zien.’ Een uurtje later komt Jaap voor zijn vertrek naar huis een perfecte bloemkool laten zien. ‘De zesde, ze hebben het dit jaar allemaal goed gedaan.’

2 juli 2004 - Irene de Vet en Kiki van Beelen